Begin 19e eeuw begon het postkoetsverkeer over de Arlberg. Ook de ondernemende postwaard Johann Josef Fritz was actief in het transportbedrijf. In 1818 werd hij benoemd tot keizerlijk en koninklijk postmeester. Daarmee werd de oude herberg omgevormd tot postkantoor.
De met veren versierde postiljons, die verantwoordelijk waren voor het vervoer van brieven en postreizigers, zaten op de hoge bokken van de gele postkoetsen. In Stuben werden de paarden gewisseld. De postroute moest binnen de vastgestelde tijd worden afgelegd. Voor elk gemist half uur werd 5 kreuzer ingehouden.
Bij de zogenaamde „Posteck“ lieten de koetsiers hun zweep net zo vaak knallen als er gasten in de postkoets zaten. Dat was voor de „Post“ in Stuben het teken om een overeenkomstig aantal maaltijden klaar te houden. In 1884 reed na de aanleg van de Arlbergbahn de laatste postkoets door Stuben.